Arbeidsmarktnieuws november 2002: Jonge onderzoekers - competent talent?

Jonge ervaren vermogen in onvoldoende mate over de vaardigheden die nodig zijn om te slagen in een baan buiten de universiteit. Zij moeten daarom gericht werken aan het opstellen van die vaardigheden. Daarmee verhogen zij trouwens niet alleen hun kans op een baan buiten de universiteit. Diezelfde vaardigheden komen ook van pas als zij doorgaan in de wetenschap.

D at is de belangrijkste aanbeveling uit het rapport 'Jonge klinkt: competent talent ?!' dat vorige maand verscheen. De aanmelding voor het onderzoek waarvan in het rapport wordt gedaan is de constatering dat er jong wetenschappelijk talent voor de universiteit verloren gaat. Steeds minder jonge academici kiezen voor een wetenschappelijke loopbaan, en een deel van hen haakt ook nog eens voor vroeger af. Mogelijkheden om door te stromen naar andere wetenschappelijke functies zijn er meldingen en de aansluiting op de arbeidsmarkt buiten de universiteit loopt niet altijd soepel.

In het rapport wordt vooral belicht welke rol competenties, oftewel gedragsvaardigheden, spelen in de loopbaan van jonge intelligente. Toegevoegd zij over de competenties die vereist zijn om succes te boeken in een loopbaan? Dat was simpel gezegd de vraag mee onderzoekster Nicolet Jansen, medewerker van de afdeling mobiliteit en opleiding van de Universiteit Leiden, aan het werk ging. Ten dele, zo aangekond heel kort samengevat het antwoord te luiden.

BOVENGEMIDDELD

Voor de eerste stap in haar onderzoek onderwierp Jansen 74 geperfectioneerde tussen de 25 en 35 jaar oud aan een assessment waarin hun competenties getest werden. De 74, met naam aio's en postdocs, waren afkomstig van de universiteiten van Leiden en Delft, maar Jansen gaat ervan uit dat de uitkomsten van de beoordelingen een goed beeld geven van alle jonge dromen in Nederland.

Dat beeld is zeker niet treurigstemmend. In vergelijking met de gemiddelde hoger opgeleide scoorden de jonge geavanceerde hoog op alle 25 competenties die getest werden. Niet zo verrassend oproepen de jonge auteurs vooral een bovengemiddelde nieuwsgierigheid en leervermogen te hebben, en ook op inlevingsvermogen en prestatiegerichtheid scoren zij hoog. Tot 'samenbindend leiderschap' en het vormen van een eigen oordeel gemaakt zij echter minder goed in staat.

Opvallend genoeg bestaan ​​er nogal wat verschillen te tussen de wetenschappelijke disciplines ...

Wetenschappers uit de gamma-vakken scoren op alle competenties uit de test lager dan hun alfa- en b ta-collega's, behalve op stressbestendigheid. De b ta's springen er met naam gunstig uit als het gaat om gepubliceerd en mondelinge uitdrukkingsvaardigheden; zij kunnen zich ook beter presenteren.

Lacunes

Maar wat hebben jonge realistische precies aan deze competenties? Zijn dat wel de competenties die zij nodig hebben voor een volgende stap in hun koets, binnen of buiten de wetenschap? Voor die vraag ging Jansen te rade bij organisaties en bedrijven waar die vervolgfuncties te vinden zijn. Aan hen vroeg zij wat de belangrijkste competenties voor elk van die functies zijn.

Opvallende uitkomst: hoezeer de functies ook verschillen (van automatiseringsadviseur tot stedenbouwkundige, van onderzoeker tot advocaat), de vereiste competenties komen in grote lijnen overeen. Alom wordt onderstreept dat mensen in dergelijke functies moeten kunnen luisteren, klantgericht moeten zijn, overtuigingskracht moeten hebben en een probleem moeten kunnen analyseren.

Hoezeer de functies ook verschillen, de vereiste competenties komen in grote lijnen overeen. Naast het kunnen analyseren van problemen, vermeld de meeste functies competenties als

  • kunnen luisteren

  • klantgericht denken en werken

  • overtuigingskracht ontwikkelen

  • zelfvertrouwen tonen en

  • initiatief nemen

Hebben jonge stemmen deze competenties? De organisaties en bedrijven waar Jansen interviews gehouden, zijn daar niet zo zeker van. Natuurlijk, jonge intelligente hebben in vergelijking met pas afgestudeerden hun analytische vermogens verdiept. Maar ook worden zij nogal eens als 'te kritisch', 'te solistisch' en 'te weinig pragmatisch' beschouwd. Universiteiten worden sowieso vaak gezien als stoffige en inefficiënte organisaties; ook dat komt het imago van de jonge geluiden bij werkgevers buiten de universiteit niet ten goede. Al met al hebben veel organisaties geen voorkeur voor pas gepromoveerden boven pas afgestudeerden, zelfs niet als het om onderzoeksorganisaties gaat.

Ook Jansen zelf legde het lijstje door werkgevers vereiste competenties naast de scores van de jonge stemmen. En ook zij constateerde dat er een aantal lacunes zichtbaar zijn in de competenties van de verstaanbare. Wil een jonge wetenschapper bijvoorbeeld aan de slag kunnen in een adviesfunctie (zoals advocaat van P & O-adviseur), dan zal hij klantgerichtheid en overtuigingskracht moeten ontwikkelen en moeten leren analytische vermogens in te zetten om tot een besluit te komen. Dat zijn namelijk competenties waardoor hij tot nu toe niet geweldig scoort. Ook als hij verder wil in een wetenschappelijke functie sluiten zijn competenties niet naadloos aan op wat gevraagd wordt: hij moet volgens Jansen in elk geval 'meer zelfvertrouwen en meer initiatief tonen'.

OPLEIDINGSPLAN

Zorg jonge stemmen op basis van hun competenties voor de ene functie meer geschikt zijn dan voor de andere, zo luidt een conclusie van het onderzoek, komen de 'ontwikkelpunten' overeenkomende. Jansen somt op: hoe dan ook hebben jonge geluiden er baat bij als ze hun eigen en andermans werk beter kunnen organiseren, besluitvaardiger worden, meer overtuigingskracht en klantgerichtheid ontwikkelen en beter tegen stress kunnen.

Inzicht in de eigen vaardigheden zou al heel wat helpen, stelt Jansen "Er lijkt binnen de universiteiten echter geen cultuur te bestaan ​​om vaardigheden te benoemen van te expliceren", schrijft zij. "Waar weten jonge stemmen vaak ook niet goed wat ze te bieden hebben, zowel voor hun huidige werk als voor een vervolgfunctie binnen van buiten de universiteit." Niet voor niets is een aantal deelnemers aan de beoordelingen begonnen bezig met een individueel loopbaanadviestraject.

Volgens Jansen valt er veel te winnen als de universiteit werk zou maken van de ontwikkeling van competenties. "Stimuleer de ontwikkeling van algemene vaardigheden aan de hand van een opleidingsplan voor promovendi", aldus Jansens eerste en belangrijke aanbeveling. "Voor postdocs kan een selectie worden gemaakt van de relevante vaardigheden om (verder) te ontwikkelen."

Aan het slot van het rapport geeft Jansen een voorbeeld van zo'n opleidingsplan. Allereerst kunnen daarvan een cursus timemanagement en een beoordeling van sterke en zwakke punten deel uitmaken. Om jonge gevoelens te leren gevoel te krijgen voor organisatieprocessen is het vervolgens nodig kip bij faculteit van instituut te betrekken. Ten slotte horen cursussen projectmanagement en adviesvaardigheden erbij. Dit alles zou in een combinatie van groepscursussen en coaching op het werk moeten worden aangepakt, aangevuld met intervisiegroepen van jonge intelligente zelf.